Insult Het is zaterdagochtend en ik heb een bereikbare dienst. Ik heb al wat telefoontjes gehad en ook een incident, dus de dienst verloopt al wat onrustig. We hadden ook personeelstekort, dus mijn looplijst loopt wat langer door net als bij mijn collega’s. Ik ben zo ongeveer bij de één na laatste cliënt.

Ik bel bij hem aan. Het is een jonge man met een ( NAH ) niet aangeboren hersenletsel. Hij heeft jaren geleden een trauma gehad en heeft dit er helaas aan over gehouden. Zo af en toe krijgt hij een insult, maar over het algemeen gaat het “redelijk”. Wij zorgen ervoor dat hij zijn medicatie inneemt, zodat hij dit zelf niet vergeet. Zijn medicatie is belangrijk.

Ik bel aan en hij doet open met een wat slaperig hoofd. Hij is nog niet zo lang wakker en zoals vrijwel altijd is hij vriendelijk en heeft hij een muziekje op staan. Ik deins meestal wat mee met de muziek wanneer ik bij hem naar binnen loop.

Hij heeft een poes en deze ligt op de bank. Dit is het enige wat hij heeft. Terugkeren in de maatschappij is voor hem niet meer mogelijk. Ik vraag hem hoe het gaat en hij geeft aan dat het goed gaat. Ik pak zijn medicatie en geef het aan hem. Ik open mijn telefoon om dit ook te rapporteren en ga op zijn bank zitten. Hij loopt naar het aanrecht om de medicatie in te nemen en ineens hoor ik een klap. Ik schrik en kijk om en daar ligt hij dan op de grond.

In het zorgplan staat dat wanneer hij een insult krijgt we weg moeten gaan, want hij kan agressief uit een insult komen. Het laatste wat ik op dat moment kan is weg gaan. Hij ligt daar op de grond. Hij is tenger en kwestbaar en daar ligt hij dan in een aanval. Het raakt me en weg gaan kan ik niet. Ik app mijn collega om het haar te laten weten dat ik uit ga lopen. Ik vertel haar de situatie en ze snapt dat ik bij hem blijf. Ik hou gedurende de situatie direct contact met haar over hoe het gaat. Ik kniel naast hem, maar ook zo dat als er wat gebeurt ik ook gelijk richting de voordeur kan springen. Ik houd zijn hand vast en ik schud met mijn hoofd. Het duurt lang voor hij weer bij komt en hij heeft het slecht, heel slecht.

Na 15 minuten lijkt hij langzaam bij te komen en ik fluister dat het goed is en dat ik bij hem ben. Hij schokt nog wat na en kijkt me langzaam aan. Zijn ogen rollen nog wat heen en weer en zoals ik op dat moment kan zien zie ik rust in zijn ogen, maar ik besef me tegelijkertijd ook dat het ineens om zou kunnen slaan. Ik blijf dus alert! Hij wil opstaan en dit gaat goed. Hij staat nog wat wankel op zijn benen en hij wil dingen zeggen, maar hij spreekt op dat moment wartaal en het is niet te begrijpen. Ik ondersteun hem door hem met mijn arm hem wat tegen te houden. Dit gaat redelijk. Hij blijft staan en kijkt me aan en ik maak een geruststellende glimlach naar hem. Ik zie rust in zijn ogen. Hij begint ineens duidelijk te praten. Hij is moe zegt hij en ik beaam dit door te zeggen dat ik het begrijp omdat hij net een aanval heeft gehad. Ik vraag of hij wat te drinken wilt, maar dit hoeft hij niet. Ik vraag hem of hij op bed wil liggen. Hij kijkt nog steeds wat verward om zich heen maar wil wel gaan liggen. Ik geef aan hem te helpen. Ik praat zachtjes tegen hem, omdat ik denk dat dit het beste is op dit moment. Het is altijd goed rekening te houden met de manier van benaderen. Ik loop met hem mee naar de slaapkamer en hij gaat in bed liggen. Ik ben nog steeds alert, omdat hij ook nog steeds wat verward om zich heen kijkt. Ik zeg hem lekker te gaan slapen en dat ik weer weg ga. Hij reageert daar niet op. Ik zwaai naar hem en ik loop naar de voordeur. Bij het dicht trekken van de voordeur slaak ik een diepe zucht en moet ik even slikken om vervolgens de auto weer in te stappen op naar de volgende cliënt.
;