Uitzaaiingen We hebben een nieuwe cliƫnt in zorg. Mw heeft talgklier kanker en er zijn uitzaaiingen in de lies en buik geconstateerd. Mw. heeft een ingreep gehad in de lies, de lymfeklier is verwijderd en de wond moet 2x daags gespoeld worden. Voor mijn vakantie ben ik een aantal keer bij mw. geweest om de wond te verzorgen. Het is ontzettend belangrijk om bij kanker begeleiding en nazorg te bieden. Kanker is ingrijpend en heeft impact op degene die het overkomt, maar ook bij naasten.

Het is zaterdagavond en het is mijn 1e dienst na mijn vakantie. Ik weet dat mw. inmiddels al twee bestralingen heeft gehad, dit heb ik gelezen in het dossier. Ik bel aan en haar vriendin ( mantelzorger ) doet open. Ik observeer de zorgen in het gezicht bij de mantelzorger en ik leg mijn hand op haar schouder. Tegelijkertijd lopen we samen naar binnen. Bij binnenkomst zie ik mw. links op de bank zitten. mw. is onherkenbaar geworden voor mij en is naar mijn mening zichtbaar achteruit gegaan. Ik zie ineens een hele oude vrouw. De kanker en de bestralingen hebben er keihard ingehakt!!

Ik ga naast mw. zitten en ik vraag haar hoe het gaat. mw. antwoord kort met "goed". Ik heb hier mijn bedenkingen bij, maar ik laat het in het midden. Ik praat wat verder over koetjes en kalfjes en vraag of mw. goed eet op dit moment. Mw. beantwoordt de vraag weer met "goed" en weer betwijfel ik of dit zo is. Het is een onderbuikgevoel wat ik op dat moment heb en de manier waarop mijn vraag beantwoord wordt doet mij twijfelen. Ik adviseer mw. tussen neus en lippen door dat het goed is om goed te eten, dus eiwitten, omdat dit belangrijk is om aan te sterken en zeker nu tijdens de behandelingen. Ik zie dat het weinig doet met mw. en dat ze niet reageert op wat ik zeg. Ik besef me dat wat ik zei compleet overbodig is op dit moment, dus ik stel voor om naar boven te lopen. De wond moet weer gespoeld worden. Het gesprek laat ik voor wat het is.

We lopen naar de trap en ik zie dat mw. wankel loopt. Ik vertrouw het niet, dus op het moment dat mw. heel dapper de trap op wilt lopen en ze bij de 3e trede in elkaar zakt kan ik haar opvangen en ze naar de onderste trede begeleiden. Ik ga naast mw. zitten, ze is geschrokken en verre van alert door de vermoeidheid. Ik stel haar gerust door even te gaan zitten op de onderste trede en het straks weer te proberen. Tegelijkertijd besef ik me dat er met spoed een bed beneden moet komen te staan, want de trap op en af lopen is niet meer te doen. Ik betwijfel of we de trap gaan redden, maar dit laat ik niet merken.

Nadat mw. tot rust is gekomen lopen we weer de trap op. Het gaat nu gelukkig goed. Mw. wil na de wondspoeling nog wel naar beneden en ik vraag mw. of het verstandig is en kijk haar aan in de hoop dat ze zelf ook beseft dat dit niet meer gaat. Ze kijkt me aan en geeft aan dat het misschien niet zo handig is en tegelijkertijd zegt ze erg moe te zijn, waarop we samen besluiten dat het beter is om boven te blijven. Na de wondspoeling help ik mw. in haar nachtjapon, leg haar in bed en ga nog even bij haar zitten. Ik maak nog een kort praatje en dek haar lekker toe. Mw. bedankt me voor de goede zorgen. Ik zie rust in haar gezicht en ze gaat lekker slapen. Op het moment dat ik de slaapkamerdeur achter me dicht trek lijkt het erop dat mw. al slaapt. De volgende dag bel ik mw. haar schoondochter op. Ze gaat een bed regelen voor beneden.
;